Overdenking zondag 31 juli 2022, Ds. Hans Katerberg

Johannes 17: 9 – 11; 20 – 24 

Efeziërs 4: 1 – 6

Philippenzen 2: 3 – 11

 

Overdenking

Gemeente van Christus,

met enige aarzeling spreek ik u vanmorgen zo aan,

in plaats van het veel ruimer klinkende ‘lieve mensen van God’.

‘Gemeente van Christus’  klinkt toch een beetje zwaar of ouderwets.

Maar ik doe het omdat

de omstandigheden in onze Jacobuskerkgemeente –

en dan doel ik op de vervreemding van gemeenteleden onderling

die is ontstaan als gevolg van conflicten -

mij noodzaken om met u na te denken over de vraag:

wat máákt ons nu tot een gemeente van Christus?

Wat is het dat ons hier ten diepste met elkaar verbindt?

Waarop is de éénheid waar Christus om bidt gebaseerd?

Om te beginnen een verhaaltje dat ik u wel eens vaker heb verteld,

maar dat in de context van vanmorgen een ander perspectief biedt.

Een verhaal uit het oude Drenthe waar de dorpsgemeenschap zeer hecht was.

Een oude boer komt uit de kerk thuis waar zijn vrouw de koffie klaar heeft.

Ze vraagt hem: ‘En Hinderk, hoe was de preek?’.

‘Dat wee’k niet,’ zegt de man. ‘ik heb ‘t er nog met gienend over had.’

Zelf afkomstig uit zo’n dorpsgemeenschap heb ik dit verhaaltje,

dat wil zeggen het antwoord van de man –‘ik heb er nog met niemand over gepraat’,

altijd als vrij negatief geïnterpreteerd: Hij had geen eigen mening,

of durfde die niet te zeggen; wat ‘men’ vond was belangrijk en je moest

niet teveel daarvan afwijken in je denken en doen want dan lag je er uit.

Een hechte dorpsgemeenschap had voordelen, maar ook grote nadelen.

Je kon rekenen op hulp en steun als je het nodig had,

maar je moest je wel houden aan de gedragsregels, enzovoorts.


Het ‘dorp’ kon ook vreselijk knellen en je vrijheid beperken.

Zelfs je mening was ondergeschikt aan de mening van het dorp.

Een positieve uitleg van het antwoord van de man zou kunnen zijn

dat hij benadrukt niet de waarheid over de preek in pacht te hebben.

Hij is bescheiden, ziet zijn eigen beperktheid in en wil eerst weten

wat de anderen er van vonden. Misschien zag hij iets over het hoofd?

Een ander zou zijn mening misschien kunnen bijstellen en omgekeerd ook.

Dat lijkt sterk op de Joodse manier van denken: de ronde tafel,

waaraan iedereen zijn zegje doet over een kwestie en al luisterend

wordt het eigen inzicht verdiept; al luisterend leert men van elkaar.

En de waarheid ligt altijd ergens in het midden,

en het laatste woord erover moet misschien toch nog worden uitgesteld.

Maar hoe verschillend ook, de gemeenschap wordt bewaard.

En dat is een hoger doel dan het laatste woord.

Dat was in het oude Drenthe zeker het geval en zelfs de kerkgemeenschap

was grotendeels ondergeschikt aan die van het dorp.

Nu naar de bijbel.

Het valt op dat ook Christus de gelovigen meerdere keren oproept

om de eenheid te bewaren in de gemeenschap: opdat zij allen één zijn, bidt hij.

Ook voor hem lijkt die eenheid een uiterst belangrijke zaak.

Daarom opnieuw de vraag: waaruit bestaat dan die eenheid?


Wat verbindt ons als gelovigen? Wat maakt ons ‘gemeente van Christus’?

Buitenstaanders zouden die vraag wellicht als volgt beantwoorden:

kerkgangers zijn mensen die nog altijd geloven dat er een God bestaat.

Dat er ergens Iemand is die dit allemaal gemaakt heeft,

de aarde, de mensen, heel de kosmos. Een God met een plan.

Maar is dat het? Is dat het wat ons samenbindt als gemeente?

Een verzameling van God-gelovigen tegen-beter-weten-in?

Anderen zouden mogelijk beginnen over het hiernamaals:

gelovigen zijn mensen die menen dat er na de dood nog iets is.

Eeuwig leven of zo. Daarom gaan ze naar de kerk.

Niet alleen buitenstaanders zouden dit kunnen denken.

Ik ken ook gelovigen die vanwege het ‘hiernamaals’ lid zijn van de kerk.

Hun geloof is een soort levensverzekering, een eeuwig-leven-verzekering.

Je moet geloven om ‘er’ te komen. In het hiernamaals.

Maar is dat het wat ons verbindt, waarop onze gemeenschap is gebaseerd?

Dat we geloven in een leven na de dood?

Het wordt tegenwoordig niet veel meer gedaan,

maar de meesten van ons kennen de tijd nog dat ‘het belijden’ van de kerk,

uitgedrukt in een geloofsbelijdenis, de eenheid constitueren moest.

We zeiden of zongen het samen: ik geloof in God de Vader, de Almachtige,

Schepper van hemel en aarde....enzovoorts.

Alle belangrijke geloofsdogma’s waren op een rijtje gezet om te voorkomen

dat mensen hun eigen waarheid uit de bijbel zouden halen.

Maar als er iets is wat de beoogde eenheid van geloof juist heeft verstoord

dan zijn het wel die geloofsbelijdenissen. Wat is daar een ruzie om geweest!

Het aantal kerkscheuringen omwille van wat wij geloven is immers enorm.

Het kan toch niet zo zijn dat Christus daar om bidt,

dat hij ons in het keurslijf wil van het ene, ware geloof?

Ach en je kunt bij die gedachte over de eenheid ook denken aan

harmonieus samenwerkende gelovigen die elkaar alle ruimte geven.

Die het koffiedrinken na de dienst belangrijker vinden dan de dienst zelf.

Die het sociale aspect van de kerkgemeenschap op het oog hebben.

Of die de religieuze rituelen erg aanspreken.

Of spreken over een mystieke verbondenheid met elkaar en met God.

Zulke eenheidsgedachten vind je nogal eens in Katholieke kring.

Is dat het dan?

Nee, ik denk het niet.

In Johannes 17 bidt Jezus niet alleen om de eenheid van zijn volgelingen,

hij spreekt ook over de verbondenheid van God, die hij ‘Vader’ noemt, met hem.

Hij zegt: ‘Zoals U in mij bent en ik in U, laat hen zo ook in ons zijn.’

Je zou kunnen zeggen: dat wat God in Jezus heeft laten zien,

wil hij graag terugzien in het leven van de gemeente.

Het beeld daarvan in het Nieuwe Testament is dat van de wijnstok en de ranken.

Wat in Christus leeft, de wijnstok, stroomt door in de ranken, de gemeente.

Een ander beeld is dat van het hoofd en het lichaam:
Christus is het hoofd en de gemeente het lichaam.

Paulus werkt dat beeld verder uit als hij het heeft over de verschillende leden

van dat lichaam: allemaal verbonden met het hoofd, zeer verschillend,

maar nauw verbonden hebben ze elkaar allen ook zeer nodig.

Nu komen we bij een antwoord op de vraag wat ons verbindt,

wat ons gemeente van Christus maakt.

Want wat is het dat Christus ons van Godswege heeft doorgegeven?

Wat zou de aderen van dat lichaam, de ranken van de wijnstok moeten doorstromen,

zoals het Christus doorstroomde?

Het is de Liefde. Wat de Vader en de Zoon verbindt is de liefde.

Wat Christus met de gemeente verbindt is de liefde.

De liefde is het belangrijkste fundament van de gemeente.

Belangrijker dan de dogma’s van het geloof, belangrijker dan de hoop,

belangrijker dan de acties die we met elkaar voeren.

Het is de Liefde die ons draagt, zoals die Jezus heeft gedragen.

Het is de Liefde die ons uitdaagt om daar uit te leven,

zoals Jezus de liefde uitdroeg in heel zijn leven.

De gemeente wordt geroepen om Christus’ werk in de wereld voort te zetten.

Zijn liefdewerk dus. Niet meer en niet minder en dat is nogal wat.

Sterker nog: pas wanneer in het leven der gemeente iets zichtbaar wordt

van de liefde, van de gezindheid zoals Paulus het noemt

in zijn brief aan de Philippenzen, de gezindheid die ook in Christus was,

pas wanneer het er werkelijk anders aan toe gaat

dan in de wereld, pas dan is zij ‘van Christus’, pas dan is er kerk.

Zoniet, dan is er slechts sprake van een verzameling van gelovigen.

Dit roept dan wel meteen weer een nieuwe vraag op: wat is dat dan, liefde?

Wat is die liefdesgemeenschap waarop wordt gedoeld?

Het is niet dat je elkaar allemaal lief en aardig vindt.

Dat is een misverstand. Dat kerkmensen elkaar aardig moeten vinden

en dat het vooral gezellig en leuk moet zijn in de kerk,

het liefst al tijdens de dienst, maar in elk geval daarna.

In zijn brieven aan gemeenten waar grote verdeeldheid heerst,

schetst de apostel Paulus een beeld van waar het wél om gaat;

welke gezindheid van de gelovigen dan wel gevraagd wordt.

Hij zegt tegen de gelovigen in Efeze: wees steeds bescheiden,

zachtmoedig en geduldig en verdraag elkaar uit liefde.

In de vertaling van 1951 staat in plaats van bescheiden nog ‘nederig’.

Maar omdat ‘nederigheid’ ook als ‘onderdanig’ kan worden uitgelegd,

spreekt de nieuwste vertaling van ‘bescheidenheid’.

De priester en dichter Tom Naastepad spreekt van ‘laagmoed’, tegenover hoogmoed.

Gods hart gaat uit naar de lage dingen, naar alles wat door ons wordt geminacht.

Naar de mensen die er buiten staan, die door de politiek of de moraal

of door wat dan ook op een dood spoor worden gezet,

de mensen die geen troeven in handen hebben.

Gods hart gaat ook uit naar de lage dingen en dieren.

Ook de dieren moesten immers rusten op de sabbath, dat zegt al veel.

Maar ook de materie, waarin de psalmen Gods grootheid zien,

ook de kwetsbare aarde met haar rijke grondstoffen,

de lucht die wij ons als mensen hebben toegeëigend en zodanig geplunderd

en vervuild dat het klimaat verandert en heel de aarde onleefbaar dreigt te worden,

ook daar zou een houding van laagmoed op zijn laats zijn.

Laagmoed, ootmoed, deemoed, zachtmoedigheid en geduld,

dat zijn de grondelementen van de liefde, van de gezindheid die in Christus was.

Dat geldt voor de gemeenteleden onderling, de kerk naar binnen toe,

maar ook voor het werk van de kerk naar buiten toe.

Vandaag beperken we ons tot de binnenkerkelijke verhoudingen.

In de gemeente van Christus geven wij elkaar een plaats.

Daar is geen plaats voor afgunst, nijd en onverdraagzaamheid.

Daar schorten we ons oordeel over de ander op, want wie zijn wij, wie ben ik?
Ons oordeel, mijn oordeel, snijdt hem, snijdt haar af.

Grootmoedigheid, laagmoedigheid en zachtmoedigheid deelt de ander niet in,

framed hem niet en maakt hem zo niet ongevaarlijk.

In de gemeente ziet men elkaar in de ogen en acht men de ander

uitnemender dan zichzelf. Dat is misschien wel de kern van de liefde.

Dat je tot het uiterste geduld met elkaar hebt en die ander hoger acht dan jezelf.

Dat je steeds weer bij jezelf te rade gaat en vraagt:

heb ik dat geduld, die zachte moed, die laagmoed, die liefde?

Heb ik die ander onbedoeld of bedoeld misschien toch pijn gedaan?

De liefde van Christus voor al wat gering is begint bij onszelf.

Wij noemen hem onze Heer, maar dat is hij omdat hij een dienaar was,

een dienaar van mensen en naast hen stond in al hun kleinheid.

Zo zijn ook wij geroepen om in elk geval elkaars dienaar te zijn,

om daarna misschien naar buiten toe als gemeente

een dienaar van mensen te kunnen zijn.

En dan hoeven we echt niet overal hetzelfde over denken, liever niet zelfs.

Want dat kan best gevaarlijk zijn. Stel je voor, zegt Paulus,

dat het lichaam alleen bestond uit oor, dan zou het niet meer kunnen zien.

Het functioneert alleen als we elkaar onze plaats gunnen in het lichaam

om die dingen te doen waar we goed in zijn en te laten waar we niet in uitblinken.

Zo bestaat de gemeente alleen waar de liefde woont.

Grote haast is geboden om die liefde te bewaren, want zij is fundamenteel.

Want ubi caritas, deus ibi est.

Daar waar liefde is, daar is God.

Daar wordt de dood overwonnen, de dood tussen mensen.

Daar is sprake van een vreugde die alle verstand te boven gaat.

Zo moge het zijn

 

Eerstvolgende viering

Actie Kerkbalans

Download de Collecte App

qr cvk