Overweging in de Jacobuskerkgemeente Rolde op zondag 1 november 2020 - 

ds Ari Troost  Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

I.

Door de omstandigheden zijn we hier vandaag maar met weinigen. Dat ben ik wel gewend: in de kerk waar ik ben opgegroeid waren we altijd maar met weinigen. Dat vonden we niet zo erg: op de lege stoelen, zeiden we, zitten de engelen. En vandaag zeg ik erbij: op de overige stoelen zitten de heiligen!

Want vandaag, op 1 november, is het, in grote delen van de kerk althans, Allerheiligen. Een feest waarop alle heiligen tezamen herdacht worden. In protestantse kerken vieren we het niet, wij ‘doen’ immers niet aan heiligen. Ergens vind ik dat wel een beetje jammer, al begrijp ik het ook wel. 

Aanvankelijk werden alle gelovigen heiligen genoemd. Dat gebeurt al in de Psalmen, “Jullie zijn heiligen, heb ontzag voor de Heer, want degenen die hem vrezen komen niets tekort” (Ps. 34: 10 KBS95) en “De hemel, Heer, prijst uw wonderen, de vergadering van de heiligen uw trouw” (Ps. 89: 6 KBS95). Paulus noemt de Christenen in Rome “geliefden van God en geroepen heiligen” (Rom. 1: 7) en die in Efese “de heiligen en gelovigen in Christus Jezus’ (Ef. 1:1). Alle gelovigen zijn heiligen, omdat zij aan God zijn toegewijd.

 

Maar dat veranderde toen bleek hoe moeilijk het is om heilig te zijn, om het vol te houden, leven naar het Woord van Thora, zoals Jezus ons dat voordeed. Afstand doen van al je bezit. Zeggen: niet mijn wil geschiedde, maar Uw wil. Vertrouwen: dat de duisternis het licht niet overmeestert. Heilig zijn, dat volhouden, dat werd in de loop der eeuwen iets bijzonders, iets heldhaftigs. Sommige mensen staken er met kop en schouders boven uit, die noemden we heiligen. Hun sterfdag werd – en wordt – gevierd als was het hun geboortedag: met hun sterven op aarde zijn ze immers geboren voor de hemel. Nog altijd zingen we op de avond voor de sterfdag van de heilige Nicolaas: “Sinterklaas is jarig.”

Er kwamen steeds meer heiligen, teveel om te vieren in een jaar. Toen, in de 9de eeuw, werd 1 november vastgesteld als verzameldag, het feest van alle heiligen. En al die mensen, gelovige zielen, die wij niet heilig durven noemen maar die wij aanbevelen in Gods hand? Zij kregen hun dag op 2 november, Allerzielen. Dan bidt de kerk dat de zielen der gelovigen door Gods barmhartigheid mogen rusten in vrede.

Ik snap wel dat de Reformatie moeite had met heiligen. Wie weet wie heilig is? Omdat er een wonder gebeurt? Wat is een wonder? Het grootse? Het kleine, onzichtbare. Wie is het die hart en nieren doorgrondt? De rooms-katholieke schrijver Godfried Bomans, ooit in de jaren ’50 tot ’70 populair als ‘influencer’ van de katholieke gemeenschap, maar nu vrijwel vergeten, probeerde het uit te leggen met een vergelijking. Kijk, zei Bomans, je moet het zien als een soort kerkelijk diploma. Ik vond dat toen grappig, als kind. Maar nu denk ik: een gecertificeerd gelovige? Daarmee sla je de plank toch mis.  

II.

We hebben vanochtend gelezen, volgens het leesrooster, uit het evangelie volgens Matteüs, een stuk uit de Bergrede, de toespraak van Jezus tot de menigte, het volk van God. Als een soort tweede Mozes spreekt Jezus daar, geen nieuwe geboden, geen nieuwe aanwijzingen ten leven, maar uitleg, toepassing, hoe je het Woord ook doet. Als een uitwerking van het grote gebod van de liefde.

Mijn collega Sybrand van Dijk, predikant in Roden, schrijft daarover: “Heb je naaste lief, zoals je jezelf lief hebt ... Agapé staat er in het Grieks. Dat is een praktische liefde. Van handelen en doen. Als iemand jouw aandacht vraagt, dan geef je aandacht. Als iemand onderdak vraagt, geef je onderdak. Als iemand bij je woont, geef je plek om te wonen. Het is een liefhebben dat de ander als mens ziet, zoals je zelf ook mens bent. Huub Oosterhuis hertaalt dit gebod met: “Doe goed aan elke ander, want ze is als jij.”

Ik denk dat dit precies het punt is van heiligheid, en waarom wij heiligen zijn èn tegelijk toch geroepen heiligen. Omdat wij met dit woord leven en tegelijk het trachten te doen:

            Deze woorden aan jou opgedragen

            hier en heden prent ze in je hart,

            berg ze in het binnenst van je ziel,

            leer ze aan je kinderen. Herhaal ze,

            thuis en onderweg, waar je ook bent

            als je slapen gaat en als je opstaat

            deze woorden aan jou toevertrouwd.

De woorden zijn ons toevertrouwd, niet als een te hoog gegrepen onmogelijkheid, maar als iets wat hier-nu mogelijk is. Zoals wij dat zeggen tegen elkaar, als we verwachten dat de ander het kan: “het is jou wel toevertrouwd.” Als roeping, opdracht en zegen.

Onder andere in de Bergrede laat Jezus iets zien van zo’n toevertrouwd leven. Tegen de armoede. In het koninkrijk van God – niet later, ooit, eens, maar binnenkort, misschien wel morgen al, hier-nu, onder ons – hebben de heiligen al hun bezit gedeeld, zoals het boek Handelingen het beschrijft. Rechtvaardigheid zal er zijn, geen halve leugens en cynisch eigenbelang. Een brutaal mens heeft de halve wereld, een zachtmoedig mens het laatste Woord. Zulke woorden zijn jou toevertrouwd: 

            Bind ze als een teken aan je hand,

            draag ze om je voorhoofd als een snoer

            ter gedachtenis, vlak op je ogen.

            Grif ze in de stijlen van je deur

            schrijf ze in de palmen van je hand.

            Dat vermeerderen je levensdagen

            en de jaren van je zoons en dochters.

            Dat je bloeien zult en niet verwelken,

            bomen aan de bron. Hoor Israël.

III.

In een tijd van crisis mag dit Woord gaan als een lopend vuurtje. Sommige mensen zeggen dat corona de grootste crisis is sinds de oorlog, waarbij ze dan vooral de economische en politieke gevolgen op het oog hebben. Dat is kortzichtig. Er is ook nog een veelomvattender en veel ingrijpender klimaatcrisis. En er is een sociale crisis, een gigantische kloof tussen rijk en arm; een schandalige onverantwoordelijkheid van de bezittende klasse  die het sociale contract heeft vergeten, zichzelf blijft verrijken en dat ook nog blij en met een bek vol blaf durft toeschrijven aan eigen verdienste. De filosoof Michael Sandel heeft hierover recent een boek geschreven, De tirannie van verdienste. Ik denk, een belangrijke analyse, aanbevolen. Maar de profeet Ezechiël sprak er al over, vol woede, dat de herders van het volk slapende honden zijn, het blaffen verleerd, omdat de vette schapen rustig alles opvreten en dat wat ze niet vreten kunnen vertrappen en bevuilen voor de magere schapen (Ez. 34). 

Een crisis kan leiden tot herbezinning. We moeten iets veranderen aan onze manier van leven. We kunnen ons daarbij laten inspireren door de levens van heiligen, zoals kleine arme Franciscus, die niets wilde bezitten, met liefde en respect voor al wat leeft door het leven ging en God dagelijks prees voor de schepping.

We kunnen ons laten inspireren door de woorden ons gegeven. Het woord van Thora, het woord van het evangelie, de woorden van Jezus gesproken op de berg. Delen wat je hebt, met heel weinig genoegen nemen, vertrouwen dat je voor vandaag genoeg hebt en dat het morgen ook wel weer goed zal komen, liefdevolle en zorgzame aandacht voor elkaar, een leven in dankbaarheid aan God die deze wereld ons gegeven heeft met alles wat we waarderen en waar we bang voor zijn. Misschien wel dat vooral, een leven in dankbaarheid. Het past Christenen niet om te jammeren en te klagen, te treuren om verlies en wat er allemaal nu niet meer kan. Een leven in dankbaarheid om wat er was, en vertrouwen in waar deze crisis nu allemaal wel niet toe kan leiden.  Als Christenen verlangen wij niet terug naar het oude normaal, omdat wij weten dat dat volstrekt abnormaal was. Wij zoeken deze wereld anders. 

IV.

Toch, nu ik dit gezegd heb, heb ik nog steeds niet het gevoel dat dit het hele verhaal is. Want er is natuurlijk wel veel angst, veel verdriet en veel zorg. Mensen durven soms niet meer hun huis uit, durven niet meer in de winkel te komen, niet meer in de kerk te komen. We kunnen elkaar niet meer aanraken, niet knuffelen. Niet alleen ouderen lijden daaronder. Ook jongeren. Depressiviteit is enorm toegenomen, ook het denken aan zelfdoding.

Is het dan voldoende te zeggen: we moeten dankbaar zijn en vertrouwen, we moeten anders leven, duurzamer; werken aan een rechtvaardiger samenleving? Dat is wel onze roeping, maar daarmee gaat u, denk ik, straks toch niet getroost de kerk uit. 

Enige tijd geleden schreef de columniste Welmoed Vlieger in het dagblad Trouw een prachtig stukje. Zij had het over het begin van het evangelie volgens Johannes. En ze liet me iets zien, wat mij – ik geef het eerlijk toe – niet eerder was opgevallen: “In den beginne was het woord en het woord wasbij God.” Allemaal in de verleden tijd. En dan opeens flitst de tegenwoordige tijd erin: “Het licht schijnt in de duisternis.” Vlieger schrijft dan: “Dat was niet ooit, ergens, een keer het geval, het gaat hier over de tegenwoordige tijd. Er gaat een soort oproep, een uitnodiging van die woorden uit om in dat licht te gaan leven, het duister voorbij. Dat betekent ook .. dat we zelf het duister voorbij kunnen komen zodra we die duisternis niet meer als allesbepalende werkelijkheid zien.” Het licht schijnt immers in de duisternis, en de duisternis heeft het niet overmeesterd.

Vanuit dat perspectief krijgt de profetie van Jesaja 60, die we vanochtend gehoord hebben, volgens het leesrooster, ineens een overweldigende kracht:

            Sta op en schitter, want uw licht is gekomen,

            de lichtglans van de Eeuwige komt over u.

            En zie, duisternis bedekt wel de aarde,

            en donkerte de volken,

            maar over u gaat de Eeuwige lichtend op,

            zijn aanwezigheid verschijnt over u.

Als zulke woorden tot jou gezegd worden, dan mag je van mij gerust een heilige heten. 

Moge het ook in deze gemeente zo zijn.

Amen

Eerstvolgende viering

Actie Kerkbalans

Download de Collecte App

qr cvk