Ik leerde deze week iets nieuws. De bidgreep oefenen.
Het is een nogal gedurfd verhaal, over een dode jongen die door Jezus weer levend wordt gemaakt. Dit verhaal over een jongen die op een lijkbaar door een grote groep mensen de stad uitgedragen wordt vergzeld door een grote groep mensen. Het is ook een verhaal over die ene mens, die zijn moeder is. De moeder van die jongen die met de baar meeloopt. Ze heeft niemand meer. Haar man was al overleden, en nu is haar enige kind gestorven. Het draait er niet omheen, zeg, dit verhaal uit het evangelie van Lucas. Er wordt niks in verbloemd. Er wordt niet gezegd dat hier gaat om een jongen die eigenlijk niet dood was, maar dood leek. Nee, er worden geen doekjes om gewonden. Het gaat hier om een jongen die dood is. Toen Jezus, eveneens vergezeld van en grote menigte, op weg naar Naïn de poort van die stad naderde werd er een dode naar buiten gedragen. Het verhaal wordt zo beschreven dat je er niet omheen kunt. En dat is voor ons toch behoorlijk confronterend. Voor ons is dat lastig. Want wij kennen deze ervaring heel goed. Wij delen met elkaar de gemeenschappelijke ervaring van het achter een wagen aanlopen met op die wagen het lichaam van iemand die overleden is. Zo’n gang naar het kerkhof, die kennen we. Maar dat de stoet stil blijft staan, omdat je door iemand wordt aangesproken, en dat de stoet dan vervolgens omkeert? Dat ze terugkeren zonder bij het kerkhof gekomen te zijn, die ervaring kennen we niet. Dus dit verhaal ontregelt ons. Het denken van ons begint te kraken. Er beginnen allemaal mechanismen mee te spelen bij ons. Afwijzing misschien, onbegrip. “Hier kunnen we niet in meegaan.” Dus voor mij was dat deze week de zoektocht: wat is hier een aanknopingspunt voor ons? Wat kan de bedoeling zijn van dit bijbelverhaal? De boodschap ervan?