Lieve mensen van de Jacobuskerk, gasten, gemeente van Jezus Christus

 

1) De spiegel en de tong

Het bijbelboek Jacobus roept een hoop bij ons op.

Het is een verrassend concreet boek dat ons dicht op de huid zit met allerlei concrete voorbeelden van alledag.

Voor sommige mensen komt het nogal stellig en belerend over.

Dat kan ik me wel voorstellen.

Jacobus is best scherp in zijn woorden,

terwijl hij zelf juist schrijft dat je zo moet oppassen met wat je zegt...

 

In het voorwoord van de Drentse vertoaling staat ook dat het 'bericht van Jacobus soms wat onpersoonlijk overkomt"

"Om zijn boodschap duudelijk te moaken nimt hij geen blad veur de mond".

Nee, het is best direct allemaal.

Je wordt er wel wakker van!

 

Vorige week had Jacobus het over de beproevingen die je als mens kan overkomen en die je ook standvastig kunnen maken.

Verder hield hij ons de spiegel voor.

De spiegel van de wet van de vrijheid.

"Kijk goed in die spiegel en besef dat God je heeft vrijgemaakt.

Leef daar dan uit en laat dat blijken in je woorden, je zachtmoedigheid en je daden richting weduwe en wees"

 

Op die daden borduurt Jacobus in hoofdstuk 2 voort.

Wat heb je aan mooie woorden als je er niks mee doet?

Wat heb je aan geloof als dat nergens uit blijkt?

We zullen zien dat hoofdstuk 2 heel duidelijk bestaat uit twee delen.

Twee delen die allebei beginnen met een denkbeeldige zin van iemand uit de gemeente.

"Stel dat iemand (met zijn tong) zegt..."

Het ene deel gaat over onze gerichtheid op het uiterlijk,

het tweede deel gaat over woorden zonder daden.

 

En wat ook grappig is om te zien dat in dit hoofdstuk 1 woordje vier keer terugkomt.

Dat is het woordje 'schoon' en 'mooi'.

Dat is dus ook een soort rode draad!

 

2) Het uiterlijk

Eerst maar eens over dat uiterlijk.

Een heel concreet en duidelijk voorbeeld van discriminatie.

Als je gelooft in Jezus mag je niemand op zijn uiterlijk beoordelen, zegt Jacobus.

 

Stel dat er iemand de synagoge binnenkomt met hele mooie kleren, maar ook iemand met vodden om zijn lijf.

Wat zijn mensen dan soms geneigd om te zeggen?

En dan komt de eerste denkbeeldige zin.

 

Mensen zijn vaak geneigd om tegen de mens met de mooie kleren te zeggen:

"Kom hier maar zitten, hier zit u goed!"

(Hier valt de eerste keer het woordje 'schoon')

"Hier zit u mooi en schoon!"

En tegen de mens met de arme kleren wordt gezegd:

"ga daar maar staan.... of nee, kom hier maar zitten bij mijn voetenbank op de grond".

Denigrerender kan het niet.

Met de arme mens wordt gesold,

de rijke mens wordt bevoordeeld.

 

Een voorbeeld dat jammergenoeg nog teveel actueel is, zei iemand in de voorbereidingsgroep.

Want hoe vaak beoordelen wij elkaar toch niet stiekum op uiterlijk, kleren, bezit, rijkdom, opleiding en positie?

Veel mensen zijn toch nog geneigd om daar een onderscheid in aan te brengen.

Tot in de kerk zelf aan toe!

 

Jullie kennen vast de voorbeelden van kerkgebouwen wel, waarin vroeger voorin een rood lampje brandde voor de dienst.

De rijkere mensen in de gemeente hadden betaalde plaatsen voorin de kerk,

en de mensen zonder geld moesten in de hal wachten tot het rode lampje uit werd gedaan.

Dan mochten zij naar binnen en op de plekken gaan zitten die nog vrij waren.

Dat zijn praktijken die we ons niet meer voor kunnen stellen,

maar toch is dit voorbeeld van Jacobus in en buiten de kerk nog erg actueel.

 

Zijn je woorden tegenover een rijke anders dan tegen een armere?

En met wie ga je liever om, bij wie wil je staan, met wie wil je wel vrienden worden?

Voor Jacobus is het duidelijk: wij neigen nar de rijke en aanzienlijke..

 

Daartegenover staat God die ook discrimeert, maar dan andersom: zijn rijk is het rijk van de ame en onderdrukte mens.

God kiest juist die arme mensen uit om deel te hebben aan zijn rijk.

Daarin is God één!

Dat is zijn onverdeelde keuze.

 

En wat doen wij als wij zeggen te geloven?

Gaan we mee in die keuze, of laten we ons inpalmen door de schone schijn van de mooie kleren?

Als je dat doet, zegt Jacobus, dan raak je verstrikt in het web van de wereld van de rijken.

Dan maak je geen goed 'onderscheid' meer.

Je wordt dan een rechter die de verkeerde uitspraak doet.

Sterker nog, dan kan jezelf op een gegeven moment voor de rechter gesleept worden door anderen, omdat je helemaal verstrikt bent geraakt in het web van leugen en schone schijn.

 

Nee, dan ben je de draad helemaal kwijt van het Rijk van God.

In dat Rijk wordt de goede en schone Naam uitgeroepen.

In dat Rijk wordt onverdeeld gekozen voor de arme en onderdrukte.

In dat Rijk is de rode draad: "heb je naaste lief als jezelf".

Als je daarnaar handelt, dan handel je 'schoon'

 

Ons spreken en ons handelen moet in overeenstelling zijn met die rode draad.

Dat is wat Jacobus de 'wet van de vrijheid' noemt.

De geboden van God zijn bedoeld om mensen in de vrijheid te stellen.

Als je dus tegen iemand zegt: "ga jij daar maar staan, of nee, kom maar bij mijn voetenbank zitten op de grond" 

dan is dat een vorm van moord.

"Gij zult niet doden" is veel meer dan alleen maar iemand vermoorden.

Je kunt ook iemand doden met je blikken of met je woorden.

Of met je denigrerende opmerkingen.

 

In dit eerste stuk vallen veelvuldig de woorden oordeel, rechter en wet.

Ik moet denken aan de rechters die hier vroeger in het achterste deel van deze kerk recht spraken.

Een wonderlijke combinatie van kerk en staat.

En hier aan deze kant werd recht gesproken door God zelf, via zijn Woord.

God stelt de arme en onderdrukte in de vrijheid, DAT is zijn oordeel.

Hij is barmhartig voor de arme en de onaanzienlijke.

Hoe beoordelen wij elkaar?

Gaan we mee met God en zijn rijk of laten we ons strikken door de buitenkant?

 

3) De daden

Nog een ander voorbeeld van woorden en daden noemt Jacobus nu.

Dat is het tweede deel van hoofdstuk 2.

 

Ook hier begint het stuk met een denkbeeldige zin.

Stel: iemand heeft weinig kleren of weinig te eten, wat zeg je dan?

Je zou kunnen zeggen: "wat èrg, kleed je goed en eet smakelijk" en je loopt daarna gewoon weg, zonder iets te doen.

Dat zou toch niet kunnen?

Wat heb je aan mooie woorden als er geen daden uit voortkomen?

 

Je moet dus niet alleen letten op wat je zegt met je tong,

- want daarmee kun je mensen leterlijk in de hoek zetten en discrimineren -

maar ook dat de woorden van je tong gevolgd worden door handelen.

 

Jacobus is daar erg mee bezig in zijn brief.

Veel meer dan Paulus -en later Luther- , die het vooral over het geloof zelf hadden.

 

Kun je geloof en daad eigenlijk wel uit elkaar halen en als twee verschillende dingen zien?

Ja, dat kan dus wel, want het gebeurt.

Mensen kunnen hun mond vol hebben van mooie woorden (ga heen en word warm) en van mooie woorden over God, maar in de praktijk zie je er niets van terug.

"Wat heb ik aan jullie mooie gewaden in de synagoge en jullie mooie liturgieën en liederen?", briest God in het boek Amos.

Gerechtigheid wil ik!

Laat uw recht als water golven (Amos 5).

 

Wat zijn de gevolgen van de erediensten die we elke zondag houden?

Wat zien de mensen daarvan terug in ons, in ons als kerk?

 

Jacobus noemt Abraham en Rachab als voorbeeld.

Abraham vertrouwde God en handelde daaruit.

Zelfs zijn zoon had hij kunnen weggeven voor het Rijk van God.

Een moeilijk verhaal, dat zeker, 

een verhaal waarin het gaat om de onvoorwaardelijke overgave aan God en aan zijn plannen.

Abraham handelde ernaar.

En ook Rachab, de prostituee uit Jericho, wordt genoemd als concreet voorbeeld van handelen.

Iemand die niet tot het gelovige volk van Israël behoorde, een 'ongelovige', maar wel iemand die handelde naar het plan van God.

Daarin werd zij 'gerechtvaardigd'.

 

Er is dus geen onderscheid tussen gelovige en niet-gelovige.

Abraham en Rachab worden beide gerechtvaardgod door hun daden.

Aan de vruchten kent men de boom.

Daarover vertelde Jezus dus ook in het stuk uit Mattheus.

Abraham haalde het uit zijn geloof in God,   en Rachab uit..., ja waaruit?

Dat staat er niet.

 

Het doet denken aan de bekende vraag die vaak bij mensen opkomt:

Wat is het verschil tussen mensen die geloven en mensen die niet geloven?

Is de een beter dan de ander?

 

Nee dus.

Voor God tellen de vruchten van je leven.

Wat komt er uit je mond, je handen, je hart?

En zoals Drietich Bonhoeffer het zo mooi zei:

"Een mens is er niet om christen te worden

maar een christen is er om mens te worden".

 

En als wij bezig zijn met kerk-zijn en liturgie en mooie woorden zingen en spreken dan is dat bedoeld om die vruchten te sturen en te laten groeien.

Meer niet.

Jacobus doet daar ook niks aan af.

Hij heeft het over 'kijken in de spiegel van de wet die vrijheid brengt".

Hij heeft het over de Naam die over ons is uitgeroepen.

Er is niks mis mee om dat te zeggen, te horen en te belijden.

En als je dat goed tot je door laat dringen dan KAN je niet anders dan partij kiezen voor de arme en onderdrukte en daarnaar handelen.

 

4) Daad als ziel van het geloof

Tot slot.

Bij Jacobus ligt de nadruk erg op de praktische uitwerking van het geloof.

Dat is duidelijk.

Dat is ook heel concreet.

Aan het eind zegt hij het heel scherp en heel verrassend.

"Zoals een lichaam zonder ziel dood is,

zo is het geloof zonder daden dood."

De daden dus eigenlijk als DE inspiratiebron voor het geloof.

Als je handelt en doet en kiest, dan voedt dat je geloof in de Naam.

 

"Let dus goed op je spreken en handelen" zegt Jacobus.

Want die zijn niet alleen een uitwerking van je geloof, maar ze voeden die ook"

Gooi dus de schone Naam die over jullie is uitgesproken niet te grabbel.

De Naam 'Jezus', die onverdeeld koos voor de arme en onaanzienlijke.

 

zo moge het zijn