Rolde, 18 augustus 2019

gezamenlijke dienst Rolde-Anloo

Voorgangers:  ds. Gonny de Boer en ds. Jan Bos

 

 

Overweging bij Mattheüs 20, 1-16 

 

Afgelopen zondag zag ik de laatste aflevering van Zomergasten, waar de Nederlands-Surinaamse journaliste Nina Jurna aan het woord was. Haar werkgebied is Latijns Amerika, waar zij correspondent is voor het NRC. Nina Jurna woont in Rio de Janeiro, een van de grootste steden in Brazilië, een land waar de tegenstellingen tussen rijk en arm gigantisch zijn en waar het na een aantal jaren economische voorspoed de laatste tijd opnieuw slecht gaat. De tegenstellingen tussen rijk en arm worden er bepaald niet kleiner op en Jurna schetste een somber beeld van de huidige tendensen in de samenleving, en van het beleid van de regering die nu aan de macht is, dat de tegenstellingen alleen maar aanwakkert. Toch eindigde haar avond met een hoopvolle noot, en dat was een van de dingen die mij het meest is bijgebleven. Zij liet namelijk beelden zien van het carnaval in Rio de Janeiro, en dan met name van de winnaar van het afgelopen jaar. Nu ben ik eerlijk gezegd helemaal geen liefhebber van het carnaval, daar ben ik toch te protestants voor denk ik. Maar wat me trof was de manier waarop tijdens dat carnaval de wereld op zijn kop werd gezet. Die functie heeft het carnaval ook altijd al gehad. Herman Pleij kan daar ook mooi over vertellen: over het carnaval in de middeleeuwen, dat alle normen en waarden voor een keer niet gelden, dat de spot mag worden gedreven met alles wat gewoonlijk de samenleving in het gareel houdt. Het onderste komt boven, de torens vallen om…

 

In de optocht van Rio de Janeiro gebeurde dat op een bijzondere manier. Op een reeks praalwagens werd aandacht besteed aan de geschiedenis van de slavernij, aan de opstand van vrouwen tegen onderdrukking, aan de onderdrukking van inheemse volken. Al die groepen die in de Braziliaanse samenleving normaal nauwelijks aan bod komen, en de zwarte randjes van de koloniale  geschiedenis waarover liever niet wordt gepraat – juist die dingen werden openlijk getoond en voor het voetlicht gebracht. En juist deze praalwagens waren de winnaar van dit jaar. Ondanks alle negatieve berichten, alle somberheid over de verharding van de samenleving was het even waar: de wereld voor even omgekeerd. Eeen hoopvol teken: eersten worden laatsten en laatsten worden eersten.

Zo lijkt ook het verhaal dat Jezus ons vertelt haaks op de werkelijkheid te staan. De wereld op zijn kop: dat wat wij normaal en logisch vinden, daar wordt aan getornd. We worden losgeschud van onze gewone manier van kijken en denken. Toen we het verhaal deze week in een groepje bespraken, kon ook niet iedereen er gelijk iets mee. Het jeukt en het prikkelt, dit verhaal. Omdat het op het eerste gehoor nogal wereldvreemd lijkt. 

Luister maar naar wat er gebeurt. 

Eerst lijkt alles nog heel gewoon; het verhaal begint met een hele alledaagse situatie. Je hebt een landheer, die dagloners zoekt voor zijn wijngaard. Zo gaat dat. In de wijngaard heb je niet altijd mensen nodig, het is seizoenswerk. Daarom worden er per dag mensen aangezocht, die één denarie per dag kregen. Een heel gewoon bedrag voor die tijd: geen vetpot, maar als je zo’n 200 dagen per jaar werk kon vinden, dan had je daar genoeg aan om met een gezin van rond te komen. Zo schuift dit verhaal langs onze werkelijkheid, het lijkt op onze economische werkelijkheid, de werkelijkheid van werknemers en werkgevers, van werken en geld verdienen, van voor wat hoort wat, het sluit aan bij onze ideeën over wat eerlijk is en rechtvaardig. 

Vervolgens gaat die landheer er na drie uur nog mensen bij zoeken. Niet erg efficiënt om dat zo te doen, maar misschien zag hij donkere wolken aankomen, en wilde hij de klus snel geklaard hebben. Maar als de landheer na nog eens drie uur opnieuw naar de markt gaat, en een uur voor zonsopgang nog eens, begin je nattigheid te voelen. Eigenlijk is dit een verhaal met humor, als je goed kijkt. Beetje bij beetje komt je erachter dat het er hier anders aan toegaat dan in de gewone wereld.

Dit is geen gewone landheer. Dit is een buitengewoon klunzige landheer met een weinig efficiënte bedrijfsvoering. Zo doet geen mens dat. 

Zo doet God. Want u voelde het natuurlijk al lang aan: deze landheer, de eigenaar van een wijngaard is niemand anders dan God zelf. Nota bene, God wordt ons hier geschilderd als een zakenman van niks. Als je er goed over nadenkt is dat eigenlijk een heel gewaagd beeld. 

Maar het wordt nog gekker. Deze zakenman van niks geeft aan zijn vertegenwoordiger de opdracht om zijn werknemers uit te betalen. Eerst de laatsten. Om het spannend te maken. De werkers van het elfde uur krijgen ieder één denarie. Genoeg om van rond te komen. En zo krijgen ook de werkers van het negende, het zesde en het derde uur ieder één denarie. Deze landheer maakt geen onderscheid. Geen loon naar werken. Een zakenman van niks, want iemand met een beetje inzicht in de menselijke geest weet dat financiële prikkels mensen aan het werk houden. Wat is dit voor merkwaardige bedrijfsvoering? Als je toch wilt dat mensen voor je werken, moet je daar en goede en rechtvaardige beloning tegenover stellen? 

Ik vermoed dat we het allemaal eigenlijk nogal logisch vinden dat de werkers van het eerste uur protesteren: hebben wij niet de hele dag gezwoegd onder de zon? Zouden we daar niet wat meer waardering voor moeten krijgen? 

Dit verhaal legt haarfijn bloot hoe het er in onze werkelijkheid aan toe gaat. Voor wat hoort wat. Dat is de motor waar alles op draait: onze hele economie, onze netwerken, onze contacten met anderen, heel onze handel en wandel. Voor wat hoort wat. Gelijk oversteken. Als ik dit voor jou doe, dan doe jij iets voor mij. Als ik hard werk of beter presteer, verwacht ik ook een grotere beloning. En wie niet werkt, zal ook niet eten. Met een deftig woord noemen we dat: distributieve gerechtigheid. Het is de gerechtigheid van de weegschaal: waarop zorgvuldig wordt afgewogen of alles nog wel met elkaar in evenwicht is. Of het wel eerlijk toegaat. 

Maar dan ons verhaal. Daar gaat het er net even anders aan toe. Wat wij gewoon vinden, wat wij rechtvaardig vinden, wordt hier op z’n kop gezet. Dat is humor. Dat een gebeurtenis net even anders loopt gebruikelijk. Of dat een zin net anders loopt dan je had gedacht. Dat je op het verkeerde been gezet wordt. Humor schept ruimte voor het onverwachte. In het jiddisch heet dat “gein”. U kent misschien wel het Amsterdams woord ‘geinponem’ - een ander woord voor grappenmaker, humorist. Gein is verbasterd Hebreeuws en in de bijbel betekent het ‘genade’. In de oren van sommigen is dat misschien een ouderwets woord. Doet ‘genade’ niet denken aan zwartekousenkerken waar je altijd bang moet zijn dat je géén genade krijgt, geen vergeving van zonden? Maar ik zou genade liever omschrijven als de levensruimte die God mensen geeft. Genade breekt de vaste patronen open waarin wij onszelf en anderen soms gevangen houden. Genade werkt bevrijdend.

“Voor wat hoort wat” is niet het hele verhaal dat over onze werkelijkheid te vertellen valt. Gerechtigheid is niet alleen die weegschaal waar we alles zorgvuldig tegen elkaar afwegen. Er is ook nog zoiets als genade: de onverwachte zorg voor mensen die het niet “verdienen”. Solidariteit met wie het nodig heeft, wie in onze prestatiemaatschappij niet mee kan komen. Belangeloze aandacht voor wie zichzelf niet kan redden. Hier staan we als christenen voor: dat er ook nog die andere werkelijkheid is: die van de genade of nog anders gezegd: die van de overvloedige gerechtigheid. 

Natuurlijk is daarmee niet alles ineens anders. We staan allemaal met beide voeten in die werkelijkheid van “voor wat hoort wat”, we zijn daar niet ineens los van. En vaak wèrkt het ook: een financiële prikkel kan mensen helpen om aan het werk te gaan, om net even wat beter hun best te doen. Een netwerk van mensen die over en weer iets voor elkaar doen kan heel wat opleveren. Maar het is niet àlles, het mag niet het héle verhaal zijn, zegt Jezus ons. Er moet ook oog zijn voor dat andere: die vrije ruimte waarin mensen elkaar het leven gunnen en er belangeloos voor een ander zijn, zonder er iets voor terug te verlangen. 

Deze gelijkenis is en blijft een verhaal dat jeukt en prikkelt, en dat ons telkens weer uitdaagt om eens met andere ogen naar deze wereld te kijken. En het mooie van deze gelijkenis is ook dit: dat afhankelijk van hoe je kijkt, het telkens weer verschuift welke plek je inneemt in het verhaal. Soms voelen we ons misschien verbonden met de werkers van het eerste uur, die enthousiast aan het werk zijn in de wijngaard van de Heer. Maar soms kunnen we onszelf voelen als die laatkomers, die dachten dat niemand ze nodig had, dat ze niet slim, of handig of gelovig genoeg waren…

Maar wie we ook zijn, waar we ons ook bevinden, of we nu de eersten zijn of de laatsten, groot of klein, doener of denken – God heeft ons allemaal nodig om in deze wereld gestalte te krijgen. We mogen elkaar het leven gunnen, omdat God het ons van harte gunt.