Zondag 19 januari 2020

Lezingen:

Genesis 32: 22-33
Mattheus 7: 24-27

 

Overdenking

Lieve mensen van God, gemeente van Jezus Christus

1) Voorgesprek
Twee weken geleden hadden de drie nieuwe ambtsdragers en ik een gesprek om deze dienst voor te bereiden.
Het ging over hun motivatie om ambtsdrager te worden,
over de vragen die hen gesteld worden
en daarmee automatisch over hun geloof en beeld van God.

Het was een heel mooi gesprek.
Wat me opviel was dat ze alledrie zeiden: het moet niet te mooi en te vroom zijn allemaal.
Laten we maar gewoon gaan doen!
Daar gaat het om.
Met de poten in de klei.

Je kunt wel mooie liturgische woorden spreken en mooie verhandelingen houden over dat God je roept enzo, maar het gaat toch gewoon om het werk in het dorp en in de kerk?
Het is al gauw zo verheven en zo heilig en zo zwaar...
een van de drie zei: ik voel me gewoon geroepen door de Jacobuskerk,
en het werk moet worden gedaan en dan zeg ik gewoon JA.

Ik kan me dat wel voorstellen.
ook in de bijbel zelf wordt regelmatig gezegd dat het niet om de woorden en de vrome liederen
gaat maar vooral om de daad.
Het gaat om de gerechtigheid, de zorg voor de schepping, de liefde voor de naaste medemens etc.
Aan de vruchten kent men de boom, zei Jezus.
Niet voor niets eindigt Jezus zijn bergrede in Mattheus met dat stukje over twee mensen die een huis bouwen.
De ene bouwt op zand, de ander op de rots.
En met die rots wordt NIET dat God een vaste rots is van mijn behoud,
maar die rots is de praktijk, de vrucht, het doen van de woorden.
We hebben niks aan mooie woorden als we er niet naar leven.
Dan zijn al je woorden en liederen loos, een kaartenhuis dat instort bij het kleinste zuchtje wind.

Wat hebben we aan kerk-zijn als we elkaar niet liefdevol behandelen,
als we de ogen sluiten voor de mensen om ons heen,
als we geen hand uitsteken naar mens en dier en plant in nood?